Inloggen / Registreren
Bel ons op +32 9 381 85 00

Veelgestelde vragen (FAQ)

Kabeldraagsystemen

Wat zijn (omgevings)corrosie klassen?

Corrosie klassen worden gedefinieerd in de norm NBN EN 61537: 2007 met als titel: "Kabelbaansystemen en kabelladdersystemen voor het onderbrengen van elektrische leidingen".

Hier worden kabeldraagsystemen gemaakt van staal met een metalen coating of roestvast staal geclassificeerd volgens weerstand tegen corrosie.

De indeling gaat van de klasse 0 (geen coating) tot de klasse 8 (zink coating) en van de klasse 9A tot 9D voor roestvast staal (zie Table 1).

Binnen deze classificatie worden alleen normale atmosferische omstandigheden beschouwd. In de norm NBN EN 61537 worden speciale lokale omgevingscondities niet in overweging genomen.

De fabrikant of verkoper moet van alle systeemcomponenten in het kabelbaansysteem of kabelladdersysteem alle relevante classificaties aangeven.

Table 1: classification for resistance against corrosion

Class Reference - Material and finish
0* None
1 Electroplated to a minimum thickness of 5µm 
2 Electroplated to a minimum thickness of 12µm
3 Pre-galvanised to grade 275 to EN 10327 and EN 10326
4 Pre-galvanised to grade 350 to EN 10327 and EN 10326
5 Post-galvanised to a zinc mean coating thickness (minimum) of 45µm according to ISO 1461 for zinc thickness only
6 Post-galvanised to a zinc mean coating thickness (minimum) of 55µm according to ISO 1461 for zinc thickness only
7 Post-galvanised to a zinc mean coating thickness (minimum) of 70µm according to ISO 1461 for zinc thickness only
8 Post-galvanised to a zinc mean coating thickness (minimum) of 85µm according to ISO 1461 for zinc thickness only (usually high silicon steel)
9A Stainless steel manufactured to ASTM: A 240/A 240M - 95a designation S30400 or EN 10088 grade 1-4301 without a post-treatment **
9B Stainless steel manufactured to ASTM: A 240/A 240M - 95a designation S31603 or EN 10088 grade 1-4404 without a post-treatment **
9C Stainless steel manufactured to ASTM: A 240/A 240M - 95a designation S30400 or EN 10088 grade 1-4301 without a post-treatment **
9D Stainless steel manufactured to ASTM: A 240/A 240M - 95a designation S31603 or EN 10088 grade 1-4404 without a post-treatment **


* For materials which have no declared corrosion resistance classification.
** The post-treatment process is used to improve the protection against crevice crack corrosion and the contamination by other steels.

Deze tabel bevat de meest gebruikte beschermingen en materialen. Deze moeten worden gebruikt als referentie waartegen andere afwerkingen of materialen worden gemeten voor classificatiedoeleinden.

Indien een zink coating zoals aangegeven in Table 1 toegepast wordt, zijn de diktes zoals in de Table 2 van toepassing.

Table 2: zinc coating thickness of reference material

Class

Minimum thickness
µm

Minimum coating thickness as given in EN 10327 or EN 10326
µm
Mean coating thickness (minimum) to ISO 1461
µm
0* - - -
1 5 - -
2 12 - -
3 - 15 -
4 - 19 -
5 - - 45
6 - - 55
7 - - 70
8 - - 85


* As declared by the manufacturer or responsible vendor

Om de klasse te definiëren bij het gebruik van een zink coating of andere metalen coating die niet in Table 1 opgegeven is, dient de fabrikant een neutrale zoutneveltest volgens ISO 9227 gedurende de in Table 3 gespecificeerde periode, uit te voeren.

Table 3: salt spray test duration

Class
(as detailed in Table 1)
Duration
h
0 -
1 24
2 96
3 155
4 195
5 450
6 550
7 700
8 850


Omgevingscorrosie klassen
worden gedefinieerd in de norm NBN EN ISO 12944-2:2018 met als titel: Paints and varnishes - Corrosion protection of steel structures by protective paint systems - Part 2: Classification of environments

De levensduur van kabeldraagsystemen is afhankelijk van de omgevingscondities waarin ze geplaatst worden. Deze condities zullen bepalen hoe snel een systeem gaat roesten.

De omgevingscondities van de verschillende omgevingcorrosie klassen C1 tot en met C5-M worden in deze norm beschreven. (zie tabel 1).

Elke fabrikant van kabeldraagsystemen kan per omgevingscorrosie klasse aanbevelen welke oppervlaktebehandeling aan te wenden.

Tabel 1: corrosieklassen zoals vastgelegd in NBN-EN ISO 12944-2 met bijhorende atmosferische natuurlijke corrosie en voorbeelden van de omgeving waarin onze materialen het meest van toepassing zijn.

Voorbeelden van typische omgevingen in een gematigd klimaat (informatief) Voorbeelden van typische omgevingen in een gematigd klimaat (informatief) Aanbevolen minimale oppervlaktebehandeling
Corrosieklasse Corrosiegraad In open lucht Binnen
C1 Zeer gering - Verwarmde ruimten met droge atmosfeer en verwaarloosbare hoeveelheden schadelijke stoffen, bijv. kantoren, winkels, scholen en hotels. Elektrolytisch verzinkt
C2 Gering Atmosfeer met lage niveaus van luchtverontreiniging. Plattelandsomgeving. Niet verwarmde ruimten met wisselende temperatuur en luchtvochtigheid. Geringe condensatie en lage luchtverontreiniging, bijv. sporthallen en magazijnen. Sendzimir verzinkt conform NBN EN 10346:2015
C3 Gemiddeld Atmosfeer met lage niveaus van luchtverontreiniging. Woonzones en omgevingen met lichte industrie. Ruimten met gemiddelde luchtvochtigheid en enige luchtvervuiling als gevolg van industriële processen, bijv. brouwerijen, zuivelfabrieken en wasserijen. Thermisch verzinkt na productie NBN EN ISO 1461:2009
C4 Hoog Atmosfeer met gemiddeld zoutgehalte of waarneembare luchtverontreiniging. Industriële en maritieme omgevingen. Ruimten met hoge luchtvochtigheid en aanzienlijke luchtverontreiniging te wijten aan productieprocessen, bijv. chemische installaties, zwembaden en scheepswerven. Thermisch verzinkt na productie conform NBN EN ISO 1461:2009
C5-I Zeer hoog (industrie) Industriële gebieden met een hoge luchtvochtigheid en agressieve atmosfeer. Ruimten met bijna permanente condensatie en hoge luchtverontreiging. Zinkpox (thermisch verzinkt + epoxy coating)
Roestvast staal AISI 304
C5-M Zeer hoog (maritiem) Maritieme en offshore omgevingen met hoog zoutgehalte. Ruimten met bijna permanente condensatie en hoge luchtverontreiniging. Roestvast staal AISI 316L

Is witte roestvorming schadelijk voor de kabelladder?

Witte roest wordt veroorzaakt wanneer er gedurende enkele dagen water op het oppervlak van de ladders blijft liggen.
Deze roestvorming heeft echter geen enkele invloed op de corrosiebestendigheid van de ladder volgens norm EN ISO 1461.

Voor meer info, klik hier

Wat is de minimum inbouwhoogte bij een vloerdoos met afwerking tapijt of laminaat?

Bij dit type vloerdoos is een inlegdiepte voorzien van 8 mm om tapijt of laminaat te voorzien.
Deze uitvoering is enkel droog te reinigen.

    Vloerdoos met speciale verlaagde inbouwbeker. Hierin passen slechts 16 (45x22,5) modules (i.p.v. 24 modules zoals bij standaard inbouwbekers). Minimum inbouwhoogte: 65 mm.

Referenties voor deze uitwerking:
1x UEK3-V-G
1x UGE3-60K 8UST
4x UGEE3-2 UST45



   

Vloerdoos met de standaard inbouwbekers. Hier passen 24 modules in. Minimum inbouwhoogte: 87mm.
Merk op: deze hoogte is enkel mogelijk voor platte stekkers. Voor rechte stekkers is een hoogte van ongeveer 102 mm vereist.

Referenties voor deze uitwerking:
1x UEK3-V-G
1x UGEA3-50-S
3x UG
3x UAM-4-1-226 

Wat is de minimum inbouwhoogte bij een vloerdoos met afwerking beton of tegel?

Bij dit type vloerdoos is een inlegdiepte voorzien van 12 mm voor een plaatsen van een vloertegel.



Deze uitvoering mag nat gereinigd worden. Slechts 16 modules kunnen hier ingebouwd worden. Minimum inbouwhoogte: 86mm.

Referenties voor deze uitwerking:

1x UEBDM 15-V-WD
1x UNE 260V-30S
1x UET-R-WD
1x UGE3-VE 8UST
4x UGEE-2-UST45

Bij gebruik van onze standaard inbouwbekers dan kunnen 24 modules in de doos geplaatst worden.
De minimum inbouwhoogte zal dan 109mm bedragen.
Merk op: deze hoogte is enkel mogelijk voor platte stekkers. Voor rechte stekkers is een hoogte van ongeveer 124 mm vereist.

Referenties voor deze uitwerking:

1x UEBDM 15-V-WD
1x UNE 260V-30S
1x UGEAV-50S
1x UET-R-WD
3x UG
3x UAM-4-1-226

Wat is de minimum inbouwhoogte bij een vloerdoos met afwerking parketvloer?

Met deze vloerdoos is er een inlegdiepte voorzien van 12 mm voor parket in te leggen. Deze uitvoering mag NIET nat gereinigd worden.



Slechts 16 modules kunnen hier ingebouwd worden. Minimum Inbouwhoogte: 70mm.

Referenties voor deze uitwerking:

UEKDD 15-V E
1x UGE3-VE 8UST
4x UGEE3-2 UST45

Bij gebruik van onze standaard inbouwbekers dan kunnen 24 modules in de doos geplaatst worden. De minimum inbouwhoogte zal dan 92mm bedragen.
Merk op: deze hoogte is enkel mogelijk voor platte stekkers. Voor rechte stekkers is een hoogte van ongeveer 107 mm vereist. 

Referenties voor deze uitwerking:

UEKDD 15-V E
3x UG
3x UAM-4-1-226

Smart Home & Building

Regelgeving rookmelder

Wanneer is het plaatsen van een rookmelder verplicht?

Een rookmelder kan levens redden. Het plaatsen van rookmelders in een woning is dus aan te raden en soms zelfs verplicht.

Het verplicht plaatsen van een rookmelder betreft evenwel een regionale materie. De drie gewesten van ons land hebben elk afzonderlijk een regelgeving terzake uitgewerkt. Hieronder vindt u een compact overzicht van de verplichtingen ter zake in Vlaanderen en het Brussels hoofdstedelijk gewest.

Vlaanderen

De invoering van de rookmelderplicht werd in Vlaanderen vanaf 2012 gefaseerd ingevoerd in huurwoningen. Die gefaseerde invoering ligt nu achter ons.  Sinds 1/1/2019 moeten in Vlaanderen alle huurwoningen uitgerust zijn met voldoende rookmelders. In nieuwbouwwoningen geldt de verplichting sinds 2013.

Wat betekent "uitgerust zijn met voldoende rookmelders"?

Om aan de rookmeldersverplichtingen te voldoen moet de zelfstandige woning (eengezinswoning, appartement of studio) of kamerwoning op elke bouwlaag uitgerust zijn met minstens één rookmelder. In kamerwoningen moet bovendien elke kamer uitgerust zijn met een rookmelder.

Waaraan moet de rookmelder voldoen?

De rookmelder

  • moet CE gemarkeerd zijn;
  • moet voldoen aan de norm NBN EN 14604;
  • moet reageren op de rookontwikkeling bij brand door het produceren van een scherp geluidssignaal;
  • mag niet van het ionische type zijn.

Rookmeldersverplichting in woningen bewoond door eigenaar uiterlijk vanaf 1 januari 2020.

De Vlaamse Regering heeft op 10 maart 2017 een decreetwijziging afgekondigd waarmee het plaatsen van rookmelders of een branddetectiesysteem zowel voor huurwoningen als voor woningen die de eigenaar zelf bewoont, verplicht wordt.  

Het nieuwe decreet zal het rookmeldersdecreet van 12 juni 2012 opheffen en vervangen door een toevoeging aan artikel 5, §1 van de Vlaamse Wooncode. Het treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 januari 2020. Dit betekent dat uiterlijk op 1 januari 2020 alle woningen in Vlaanderen over de nodige rookmelders of een rookdetectiesysteem zullen moeten beschikken.

Meer informatie is terug te vinden op de website van de Vlaamse Overheid:

Brussels Hoofdstedelijk gewest

In het Brussels hoofdstedelijk gewest geldt geen verplichting in eigen woningen maar zijn ze sinds juli 2005 wel verplicht in alle huurwoningen.

Aantal detectoren?

Er moet een rookdetector hangen in elk vertrek tussen de slaapkamer tot de buitendeur.

Welk type detector?

De rookmelder mag niet van het ionische type zijn en dient uitgerust te zijn met een ingebouwde batterij met een levensduur van meer dan vijf jaar of aangesloten te zijn op het elektrisch stroomnet (220V). In het laatste geval is er een noodbatterij voorzien voor het verzekeren van de goede werking van het toestel bij stroomonderbrekingen.

De rookmelder moet een door BOSEC of gelijkaardig Europees organisme gecertificeerd zijn (conform de norm NBN EN 14604).

Meer info:

Informatie over de regelgeving in Wallonië: lees hier alles.

Voordelen JUNG rookmelders

  • Optische rookmelder
  • Intelligente bi-sensor-processor-technologie registreert hitte- en rookontwikkeling
  • Onderscheidt ongevaarlijke waterdamp van rookontwikkeling (toepasbaar in keuken)
  • 5 jaar fabrikantenwaarborg
  • Vast ingebouwde lithium batterij met 12 jaar levensduur
  • EN14604 gecertificeerd
  • Q-label
  • Beschikbaar stand-alone of in een uitvoering waarin meerdere rookmelders draadloos onderling verbonden kunnen worden

Alle TELETASK Smart Home & Building vragen

Voor een gedetailleerd overzicht met downloads per onderwep, klik hier.

Schakelmateriaal en contactdozen

MENNEKES contactdozen waarvoor geen afzonderlijke rubberdichting meer nodig is.

Bliksembeveiliging

Waarmee rekening houden bij het voorzekeren van overspanningsafleiders?

Om zowel de kortsluitvastheid van de overspanningsafleider te verzekeren, alsook om de elektrische installatie te beschermen in geval van een fout in een overspanningsafleider moet deze met een gepaste overstroombeveiliging (= voorzekering) worden gecombineerd. De fabrikant legt de maximale toelaatbare nominale waarde van de voorzekering op. Heeft de voorgeschakelde installatiezekering F1 een gelijke of een lagere nominale waarde, dan kan er afgezien worden van deze bijkomende afleidervoorzekering F2 (figuur xx). De installatie wordt daardoor eenvoudiger en beter: minder plaats, minder materiaal, minder bekabeling en kortere aansluitleidingen.

Bij het bepalen van de juiste afleidervoorzekering voor overspanningsafleiders moet een belangrijk aspect in acht worden genomen. De voorzekering mag niet groter zijn dan deze die door de fabrikant is opgegeven. Maar zij mag ook niet willekeurig klein worden gekozen, omdat dan de vereiste stootstroom-afleidcapaciteit niet langer is gewaarborgd.

Conform de productnorm NBN EN61643-11 moet bij het beproeven van een overspanningsafleider ook de in de afleiderkring voorgeschakelde voorzekering mee in rekening worden gebracht. Dat betekent dat de door de fabrikant opgelegde voorzekering de aan de afleider toegewezen afleidstootstroom moeten kunnnen afleiden zonder door te smelten. De maximale stootstroom-capaciteit voor gangbare Type 2 afleiders ligt in het bereik tussen 25 en 40kA(8/20). In tabel 1 zijn de smeltwaardes van NH zekeringen bij belasting door 8/20 stootstromen opgenomen.

Waarde van de NH voorzekering

Berekende uitschakelwaarde bij belasting met stootstroom (8/20)

35A

14,7

63A

25,4

100A

38,9

125A

50,7

160A

67,6

200A

86,2

250A

115,0

                                       Tabel 1

Uit deze tabel valt te herkennen dat bij een Imax van vb. 25(8/20) de afleidervoorzekering een minimale waarde van 63A gG/gL zou moeten hebben om de stootstroom te kunnen voeren. Een lagere voorzekering zal de afleidcapaciteit van de overspanningsafleider begrenzen. Dit zou als gevolg hebben dat de voorzekering bij stootstromen lager dan de afleidcapaciteit van de overspanningsafleider doorsmelt en daarmee de beschikbaarheid van deze laatste in het gedrang brengt. Voor een overspanningsafleider met een afleidcapaciteit van 40kA(8/20), zoals de DEHNguard , is een voorzekering van 125A gL optimaal.

De inplugbare modules van overspanningsafleiders kunnen probleemloos en veilig in- en uitgeplugd of vervangen worden zonder dat de elektrische installatie spanningsloos moet gezet worden of dat de beschermkap of beschermplaat in het verdeelbord moet weggenomen worden.

In omvangrijke elektrische installaties (industrie, tertiair…) kunnen er evenwel bijkomende veiligheidsvoorschriften van toepassing zijn voor het werken aan een installatie onder spanning. Houd daar rekening mee!

Sedert 2019 beschikt DEHN over een nieuwe DEHNguard familie, de DEHNguard ACI. Deze is uitgerust met de ACI technologie (Advanced Circuit Interruption), een gecombineerde vonkenbrug-schakelaar geïntegreerd in de afleider en die de voorbeveiliging voor zijn rekening neemt. Bij DEHNguard ACI behoort het kiezen en dimensioneren van een geschikte voorzekering tot het verleden. De voordelen om DEHNguard ACI toe te passen in plaats van een overspanningsafleider met aparte voorzekering zijn legio: naast de plaatsbesparing en de eenvoudige bekabeling bent u verzekerd dat afleider en voorbeveiliging perfect op elkaar zijn afgestemd, biedt de DEHNguard ACI een hogere weerstand tegen tijdelijke overspanningen (TOV), is de afleider lekstroomvrij en volstaat een draadsectie van 6mm² om hem te aan te sluiten.

Is overspanningsbeveiliging verplicht?

Om op deze vraag een antwoord te formuleren baseren we ons op volgende documenten:

  • het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI)
  • de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing
  • de codex over het algemeen welzijn op het werk

 

1) Het algemeen reglement op de elektrische installaties (AREI), dat de wettelijke voorschriften vastlegt in verband met elektrische installaties, vermeldt volgende paragraaf:

Deel 4 – Elektrische bescherming tegen overspanning, artikel 136 - Principe

Personen en goederen moeten volgens de desbetreffende regels van goed vakmanschap beschermd worden tegen de schadelijke gevolgen van:

  • een fout die kan voorkomen tussen de onder spanning staande delen van stroombanen op verschillende spanningen;

  • overspanningen te wijten aan andere oorzaken, bijvoorbeeld atmosferische verschijnselen of eventuele overspanningen bij het schakelen.

De toestellen moeten derwijze uitgevoerd en geplaatst worden dat personen en goederen door hun werking niet in gevaar worden gebracht.

Dus JA, elektrische installaties dienen beschermd te worden tegen overspanningen afkomstig van bliksem en schakelhandelingen.

  • Welke maatregelen moet ik dan nemen?

Hiervoor kan je terugvallen op de regels van goed vakmanschap. Deze vind je ondermeer terug in de van de geldende Belgische en Europese normering ter zake.

Het in 2016 uitgegeven normatieve document HD60364-4-443 kan een leidraad bieden om te bepalen of (via een vereenvoudigde risicoanalyse) het plaatsen van overspanningsbeveiliging voor een bepaalde installatie noodzakelijk is of niet. Het al dan niet noodzakelijk zijn hangt af van verschillende factoren zoals bliksemactiviteit in de regio, ondergronds of bovengrondse voeding, landelijke of stedelijke omgeving, …

Kort samengevat komt het hier op neer: indien overspanningen een invloed kunnen hebben op de veiligheid van mensenlevens (vb. brandmeldcentrale, ziekenhuisapparatuur,..), de beschikbaarheid van openbare dienstverlening (telecomcentra, …) of de werking van handels- en industriële activiteit (banken, bedrijven, hotels,…) dan MOET er overspanningsbeveiliging worden voorzien, ongeacht de uitkomst van een risicoanalyse. Voor alle andere gevallen wordt er een eenvoudige risicoberekening aangereikt waaruit kan afgeleid worden of overspanningsbeveiliging al dan niet noodzakelijk is.

Het normatieve document HD60364-5-534 legt vast aan welke karakteristieken overspanningsbeveiliging moet voldoen (wanneer een SPD Type 1 of Type 2 plaatsen, minimale afleidvermogen, … ), waar je deze moet plaatsen en welke de te respecteren montageregels zijn.

Meer informatie over beide HD documenten en over de vereenvoudigde risicoberekening vind je terug in dit document.

 

2) De “Basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing” bepalen in België de minimumvoorwaarden waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van nieuwe gebouwen (en uitbreidingen van bestaande gebouwen) moeten voldoen. Deze normen zijn wetten en dus bindend.

Daarin staat vermeld dat hoge gebouwen (>25m) moeten worden uitgerust met een beveiligingsinstallatie tegen bliksem gekozen op basis van een evaluatie van het risico.

Voor het evalueren van het risico wordt een beroep gedaan op de uitgebreide risicoanalyse in de norm NBN EN 62305-2 ‘Bliksembeveiliging – Risicomanagement’. Uit deze risicoanalyse vloeien de maatregelen voort die noodzakelijk zijn om het risico tot een aanvaardbare waarde te reduceren. Een van die mogelijke maatregelen kan het plaatsen van overspanningsafleiders zijn.

Risicoanalyse uit NBN EN62305-2 versus risicoanalyse uit HD60364-4-443

De vereenvoudigde risicoberekening uit HD60364-4-443 brengt enkel overspanningen in rekening die via het elektrische distributienetwerk (ook directe inslag in het netwerk) het gebouw binnendringen alsook overspanningen door schakelhandelingen. De uitgebreide risicoanalyse uit NBN EN62305-2 gaat veel verder en brengt ook de risico’s ten gevolge van directe of nabije blikseminslag op het gebouw in rekening.

 

3) De Codex over het welzijn op het werk verplicht de werkgever een risicoanalyse uit te voeren van de elektrische installatie waarvan hij de houder is.

De werkgever spoort tenminste de volgende risico’s op en evalueert ze:

Van toepassing voor ons uit de Codex: 
6° de risico’s te wijten aan overspanningen ten gevolge van inzonderheid fouten die kunnen ontstaan tussen actieve delen op kringen op verschillende spanning, van het schakelen en van atmosferische ontladingen;

De werkgever treft op grond van de risicoanalyse alle nodige preventiemaatregelen ter bescherming van deze risico’s.

Voor het evalueren van het risico kan een beroep gedaan worden op de vereenvoudigde risicoberekening in de HD60364-4-443, vermits enkel het risico van overspanningen op de elektrische installatie geëvalueerd moet worden. Maar ook de ruimere risicoanalyse in de norm NBN EN 62305-2 ‘Bliksembeveiliging – Risicomanagement’ kan worden gebruikt.

Uit de risicoanalyse vloeien de maatregelen voort die noodzakelijk zijn om het risico tot een aanvaardbare waarde te reduceren. Een van die mogelijke maatregelen kan het plaatsen van overspanningsafleiders zijn.

Hebt u nog vragen? Bel ons of stuur een mail naar dehn@stagobel.be               

Hoe beveilig ik optimaal de elektrische apparaten in mijn woning tegen overspanningen door bliksem of schakelhandelingen?

Het sleutelbegrip bij overspanningsbeveiliging is potentiaalvereffening – m.a.w. voorkomen dat grote spanningsverschillen kunnen ontstaan tussen elektrische geleiders onderling en de aarde waardoor er vonkoverslag (en aldus schade) kan optreden wanneer de stootspanningsvastheid van de apparatuur werd overschreden.

Potentiaalvereffening betekent dat alle elektrische geleidende delen met elkaar en met de hoofdaardingsrail van de elektrische installatie worden verbonden. Actieve spanningsvoerende geleiders zoals het elektrisch voedingsnet, telefoonlijn of de distributiekabel worden in de potentiaalvereffening opgenomen door een overspanningsafleider. Deze wordt tussen de geleider en de aarding geplaatst. Stijgt het spanningsverschil tussen de actieve geleider en de lokale aardingsinstallatie naar een ontoelaatbare waarde, dan zal de overspanningsbeveiliging aanspreken en het spanningsverschil begrenzen tot een aanvaardbare waarde.

Belangrijk in een goed werkend beveiligingsconcept is dat ALLE geleiders die de woning binnenkomen in de potentiaalvereffening worden opgenomen, bij voorkeur zo dicht mogelijk  bij hun plaats van binnenkomst: de laagspanningsvoeding, de binnenkomende telefoonlijn, de tv-distributiekabel maar eventueel andere binnenkomende bedrading van vb. poolhouse in de tuin of van de videoparlofoon die, vrijstaand van de woning, aan de hekpilaar staat opgesteld.

In onderstaande figuur vindt u een overzicht waarin u voor de meest voorkomende situaties de juiste overspanningsbeveiligingen kan terugvinden, alsook de te respecteren installatieregels (lengte en sectie van de aansluitgeleiders).

Wordt overspanningsbeveiliging voor of na de verliesstroomschakelaar geplaatst?

Een overspanningsbeveiliging wordt in België in overeenstemming met het AREI altijd na de verliesstroomschakelaar aangesloten.

Welke aardingsklem op de overspanningsafleider moet gebruikt worden voor het aansluiten van de aarding?

Op elke afleider zijn 2 aardingsklemmen voorzien. Beide klemmen zijn intern verbonden, dus maakt het niet uit welke klem wordt gebruikt voor het aansluiten van de aarding.

Een eerste verbinding met de aarding moet altijd gemaakt worden op de aardingsrail van het elektrisch bord waarin de module geplaatst wordt en dit met een zo kort mogelijke kabel.

De tweede klem kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor een bijkomende potentiaalvereffening met bijv. de aardscheider, aardingsplaat…

In de installatierichtlijnen wordt een totale aansluitlengte van < 0,5m aanbevolen en mag deze nooit de 1m overschrijden. Wat als de afstand van 1m onmogelijk aan te houden is?

Een langere aansluitleiding heeft een ongunstige invloed op het beveiligingsniveau van de afl eider. Probeer daarom reeds van bij de planningsfase rekening te houden met deze parameter.

Wanneer het respecteren van deze afstand toch onmogelijk blijkt, dan kan bijv. de overspanningsafleider bijkomend geaard worden aan het geaarde chassis van het bord (zie figuur).

Waarom wordt een overspanningsbeveiliging geaard aan de aardingsrail en niet aan de aardscheider?

Overspanningsbeveiliging werkt op basis van potentiaalvereffening. We spreken van een goede potentiaalvereffening als in de elektrische installatie geen potentiaalverschillen optreden op het moment van een overspanning. Hiervoor dienen de te beveiligen apparatuur én de afleider aangesloten te zijn op eenzelfde aarding; dit is de aardingsrail in het elektrisch bord (figuur 13).

Indien de overspanningsbeveiliging enkel wordt aangesloten op de aardscheider, wordt een te lange aansluitlengte gecreëerd (figuur 12). Hierdoor ontstaat een minder gunstig beveiligingsniveau (FAQ3).

Bekijk/download het volledige document hier.

Beïnvloedt een overspanningsbeveiliging een isolatiemeting?

Bij het meten van de isolatieweerstand wordt een spanning van 500V of hoger op de installatie geplaatst. De overspanningsbeveiliging zal deze overspanning afleiden naar de aarde en de isolatiemeting beïnvloeden. Door de lekstroom naar aarde zal de isolatieweerstand ongunstig zijn.

De beveiligingspatronen losmaken tijdens het meten is dus een must!

Is een overspanningsbeveiliging defect na het afleiden van een overspanning?

Neen, zolang de maximale capaciteit van de varistor niet overschreden wordt, keert de varistor terug naar zijn originele toestand. Een overspanningsbeveiliging kan dus meermaals zijn nominale afleidstootstroom (20kA 8/20μs) afleiden.

CEE Industrieel contactmateriaal

Hoe kan ik elektrisch vergrendelen?

Wanneer gebruik ik een PilootContactSchakelaar (PKS)?

Het PKS contact kan gebruikt worden voor terugmelding en signalering bij 63A en 125A , of zoals in onderstaand schema, voor een elektrische vergrendeling.

 

Alles binnen het rode kader wordt omvat in deze component, alles buiten het kader moet nog aanvullend in het spanningsbord geplaatst worden.

Bij een niet ingestoken stekker staat er geen spanning op de contacten.

De aansturing van de magneetschakelaar ligt afgeschermd in de contactdoos.

De pilootpin die standaard op de stekkers van 63A en 125A zit, drukt de schakelaar in als de stekker in de contactdoos met PKS ingeplugd wordt.

Wanneer gebruik ik een hulpcontactschakelaar type 41000?

Een groot aantal wandcontactdozen en inbouwcontactdozen van 16A en 32A zijn erop voorbereid om het hulpcontact type 41000 in te bouwen:

Het hulpcontact gaat ook hier een magneetschakelaar aansturen.

Als er geen stekker is ingeplugd, staat het hulpcontact open en staat er bijgevolg geen spanning op de contacten.

Ingeval een stekker is ingeplugd, wordt het hulpcontact gesloten omdat de behuizing van de stekker de witte pin indrukt.

e-Mobility

Hoe stel ik tijdgestuurd laden in bij AMTRON Xtra of Premium?

Bij de AMTRON Xtra en Premium kan men via de Mennekes Charge App tijdgestuurd laden. Hierbij kan men dan tussen een hoofd- en nevenvermogen schakelen op basis van de tijd. Zo kan men bijv. het toestel aan/uit schakelen of een laadbeurt van bijv. 25A naar 15A reduceren.

De tijdsturing deelt de dag in 2 blokken op. U kiest de momenten waarop de blokken wijzigen. Van elk blok kan u ook de maximale stroom kiezen.

Om deze instelling te bekomen maken we gebruik van de Mennekes Charge App:

  • Contacteer de AMTRON met behulp van de Mennekes Charge App
  • Open het menu (bij Android drie rode puntjes rechtsboven, bij Apple grijze balk onderaan het scherm)
  • Kies “Wallbox configureren”
  • Kies “Modus veranderen”
  • Automatisch komt men terug op het beginscherm. Hier verschijnt nu het symbool van een klok. We klikken dit symbool aan en kunnen hier de tijdsturing configureren
  • We klikken de donkerblauwe balk onderaan aan en passen het hoofdtarief aan (in principe dag tarief). Vul begintijd en eindtijd in en ook de maximale laadstroom
  • Herhaal de stappen en pas via de lichtblauwe balk ook het neventarief aan (in principe het nacht tarief)
  • De tijdsturing is nu actief en zal elke dag de opgegeven waardes volgen

Hoe de laadgeschiedenis van een AMTRON Xtra of Premium raadplegen en exporteren?

Om de laadgeschiedenis op te roepen en exporteren, doorloop je volgende stappen:

  • Contacteer de AMTRON met behulp van de Mennekes Charge App
  • Open het menu (bij Android drie rode puntjes rechtsboven, bij Apple grijze balk onderaan het scherm)
  • Kies “Wallbox configureren”
  • Kies “Overzicht laadprocessen”
  • Klik op datum om een periode te kiezen
  • Klik op Uid/naam om bij een AMTRON Premium op een specifieke gebruiker te filteren
  • Druk vervolgens op “invoer weergeven” om de lijst op te roepen
  • Via het documenten symbool rechtsboven (twee blauwe vierkantjes) kan deze lijst geëxporteerd worden. Hierbij kan je de periode indien gewenst nog verder specifiëren en kiezen om als PDF of als CSV te exporteren.

Hier vind je ook een video waarbij we de stappen samen met u doorlopen:

Hoe activeer ik autostart bij een AMTRON Xtra?

Bij levering is bij een AMTRON Xtra de autostart functie niet actief. Hierdoor is er toegangscontrole waarbij men in de Mennekes Charge App op een start knop moet drukken.

Via de Mennekes Charge App kan men deze functie makkelijk activeren via volgende stappen:

  • Maak via de app verbinding met uw AMTRON Xtra toestel
  • Open het menu (grijze balk onderaan bij Apple of drie rode puntjes rechtsboven bij Android)
  • Kies “Wallbox configureren”
  • Kies opnieuw “Wallbox configureren”
  • Hier vindt u een keuze “autostart” aan/uit

Als installateur kan men ook inloggen op het IP-adres en de autostart functie activeren bij customer settings.

Hoe laadpunten voor elektrische wagens beveiligen?

Voor de correcte beveiligingsmogelijkheden van laadpunten voor elektrische voertuigen verwijzen we naar onderstaande tekst geschreven door de onafhankelijke bron Volta (www.volta-org.be).

Deze tekst geeft een goed beeld van wat toegelaten is en wat niet.

Het originele artikel vindt u hier als pdf terug.

Mode 3 laadpunten voor elektrische voertuigen: keuze van de differentieelschakelaar

1 Inleiding

Elk laadpunt voor een elektrisch voertuig (EV) moet o.a. beschermd worden tegen onrechtstreekse aanraking. In dit artikel bespreken we de bescherming van Mode 3 laadpunten d.m.v. een automatische differentieelstroominrichting (diff.) (§ 5). Een Mode 3 laadpunt is een toestel dat uitsluitend bedoeld is voor het laden van EV’s met wisselstroom (AC). In dat geval eisen de normen voor laadinfrastructuur1 dat elk Mode 3 laadpunt beschermd wordt door een aparte diff. van max. 30 mA. Voorbeeld: een laadpaal met 2 laadpunten moet beschermd worden door 2 diff.’s in parallel, 1 voor elk laadpunt. De diff. of diff.’s kunnen in het laadpunt ingebouwd zijn, zo niet moeten ze apart voorzien worden. De diff. moet minstens van type A zijn (dus geen diff. type AC) maar een diff. type A alleen is niet voldoende (§ 6). Dit artikel bespreekt wat er nog meer nodig is. Voor de volledigheid vermelden we dat een laadpunt ook tegen onrechtstreekse aanraking beveiligd kan worden op basis van het principe van elektrische scheiding. Daarop gaan we niet in.

2 In de praktijk

In § 6 wordt uitgelegd dat een diff. type A niet geschikt is om een laadpunt te beveiligen. Kort samengevat: de batterijlader van een elektrisch voertuig (EV) bevat een gelijkrichter en bij een isolatiefout achter de gelijkrichter in het voertuig kan de foutstroom een gelijkstroom zijn. Nu is volgens de norm2 een diff. type A niet gemaakt voor een foutstroom die meer dan 6 mA DC bevat. De norm garandeert niet dat hij foutstromen die meer dan 6 mA DC bevatten zal afschakelen. Bovendien maakt zo’n foutstroom een diff. type A blind, dit wil zeggen dat hij ook niet meer zal reageren wanneer in een andere kring een foutstroom ontstaat waarop hij normaal wel zou reageren.
Wel goede oplossingen zijn:
− ofwel een diff. type A van maximum 30 mA in combinatie met een toestel dat we in dit artikel een Diff-6mA-DC noemen (§ 6.3)
− ofwel een diff. type B van maximum 30 mA (§ 6.2).
Ze kunnen in het laadpunt zelf zitten, zo niet moeten ze in de elektrische kring voorzien worden. We bespreken nu twee vragen:
− Wat met een eventuele diff. stroomopwaarts?
− Wat als de diff. voor het laadpunt aan het begin van de installatie staat?

3 Stroomopwaartse differentieel

Wanneer er stroomopwaarts van een diff. die een laadpunt beveiligt, een andere diff. staat, dan is de vraag of door die andere diff een DC-foutstroom van meer dan 6mA kan vloeien en zo ja, wat er dan moet gebeuren. We bespreken een aantal mogelijke situaties.

3.1 1 laadpunt beschermd door een diff. type A van 30 mA en een Diff-6mA-DC

In het geval van 1 enkel laadpunt beschermd door een diff. type A van 30 mA en een Diff-6mA-DC, mag een diff. type A stroomopwaarts blijven staan. De Diff-6mA-DC laat immers geen foutstroom van meer dan 6 mA DC door (Figuur 1).

 Figuur 1

De rode stippellijn in figuur 1 toont de foutstroom bij een isolatiefout in het EV. De kring sluit zich via de aarde en de aardverbinding van het distributienet (niet getekend).

3.2 Meerdere laadpunten elk beschermd door een diff. type A van 30 mA en een Diff-6mA-DC

In het geval van een diff. stroomopwaarts van 2 of meer laadpunten elk beschermd door een diff. type A van 30 mA en een Diff-6mA-DC, is een type A alleen niet meer voldoende (Figuur 2). Het is immers mogelijk dat bij twee van de laadpunten tegelijk een isolatiefout zou optreden die telkens zorgt voor een foutstroom van bijvoorbeeld 5 mA DC. De diff.’s die de individuele laadpunten beschermen schakelen dan niet noodzakelijk uit, waardoor er door de stroomopwaartse diff. type A dus een foutstroom zou kunnen lopen van meer dan 6 mA DC. Zoals reeds eerder gesteld is dit een probleem.

 Figuur 2

Er zijn verschillende oplossingen mogelijk: de stroomopwaartse diff. type A kan worden
− vervangen door een diff. type A met geïntegreerde Diff-6mA-DC (Figuur 3)
− of aangevuld met een aparte Diff-6mA-DC
− of vervangen door een diff. type B.

 Figuur 3

3.3 Situatie 3: een of meer laadpunten beschermd door een diff. type B van 30 mA.

In een huishoudelijke installatie moet elke diff. stroomopwaarts van een diff. type B ook van type B zijn (Figuur 4). 3

 Figuur 4

In een niet-huishoudelijke installatie kan in bepaalde gevallen ook een diff. type A aangevuld met een Diff-6mA-DC stroomopwaarts van een diff. type B gebruikt worden, maar alleen als de reden waarom stroomafwaarts voor een diff. type B gekozen is, te maken heeft met mogelijke DC-foutstromen en bijvoorbeeld niet omdat de foutstroom een harmonische vervorming kan bevatten of een frequentie van meer dan 50 Hz (§ 6.2).

4 Differentieel aan het begin van de installatie

Het is ook toegelaten om de kring naar een laadpunt rechtstreeks af te takken in het hoofdverdeelbord. Voor de kring met het laadpunt zijn er dan 2 mogelijkheden:
− ofwel een diff. type A van maximum 30 mA in combinatie met een Diff-6mA-DC (Figuur 5 links)
− ofwel een diff. type B van maximum 30 mA (Figuur 5 rechts).

 Figuur 5

Dit zorgt meteen voor horizontale selectiviteit tussen de kringen.

Hierbij moet wel rekening gehouden worden met volgende eisen uit het AREI:

4.1 Algemene scheidingsschakelaar

[…] op het hoofdschakelbord [moet] een algemene scheidingsschakelaar geplaatst worden die de gelijktijdige onderbreking mogelijk maakt van alle fasen en eventueel van de nulgeleider. Zijn nominale stroomsterkte is aan de installatie aangepast, zonder nochtans minder dan 25 A te bedragen. Nochtans mag de functie van de algemene scheidingsschakelaar verzekerd worden door de algemene stroomonderbreker indien deze ontworpen is om de scheiding te verzekeren.

Wanneer de algemene stroomonderbreker van de DNB hiervoor kan dienen, is het toegelaten om meer dan 1 diff. in parallel aan het begin van de installatie te plaatsen.

4.2 Verzegeling

Wanneer AREI art. 86 van toepassing is, moet minstens 1 diff. aan het begin van de installatie staan5 . Deze diff. of diff.’s moet(en) verzegeld worden. AREI art. 86 is van toepassing op huishoudelijke lokalen of plaatsen. Het is ook van toepassing op bedrijven die niet beschikken over gewaarschuwd personeel (BA4 of BA5)6 , tenzij er vooraf een akkoord is met het Erkend Organisme.

4.3 Nominale stroomsterkte

Diff.’s geplaatst aan het begin van een installatie van huishoudelijke lokalen moeten een nominale stroomsterkte hebben van ten minste 40 A.

4.4 Vermelding “3000 A, 22,5 kA²s”

In een installatie van huishoudelijke lokalen moeten de diff.’s de zichtbare vermelding “3000 A, 22,5 kA²s” dragen8 , tenzij hun nominale stroomsterkte groter is dan 40 A. Dit is van toepassing op elke diff. die stroomopwaarts staat van de eerste automaat (of smeltveiligheid). Maar in feite geldt dit voor elke diff. in het hoofdverdeelbord, omdat de te verwachten kortsluitstroom voor het ganse bord nagenoeg dezelfde is.

5 Bescherming tegen onrechtstreekse aanraking met een diff.

Onrechtstreekse aanraking, wat wil dat zeggen? Neem bijvoorbeeld een elektrisch toestel met een behuizing uit een geleidend materiaal. De behuizing staat normaal gezien niet onder spanning, maar door een fout in de isolatie van het toestel kan dat toch het geval zijn. Wanneer iemand de behuizing dan zou aanraken, zou hij/zij een elektrische schok krijgen. Het jargon hiervoor is onrechtstreekse aanraking: het aanraken van een onderdeel onder spanning, dat normaal niet onder spanning zou mogen staan. Bij een spanning van bv. 230 V kan dit dodelijk zijn. Hiertegen moeten dus maatregelen genomen worden. Een veel gebruikte maatregel als bescherming tegen onrechtstreekse aanraking is het installeren van een automatische differentieelstroominrichting (diff.). Bij een diff. hoort altijd een beschermingsgeleider (PE) en netsysteem (TT of TN-S ). In een TN-C net kan een diff. nooit toegepast worden, dus daar moet een andere beschermingsmaatregel tegen onrechtstreekse aanraking genomen worden. Bij een isolatiefout vloeit er een stroom door de PE, die we foutstroom noemen. De diff. reageert hierop wanneer de foutstroom groter wordt dan zijn afschakelwaarde.

6 Het soort foutstroom en het type diff.

Net zoals elke elektrische stroom, kan een foutstroom verschillende vormen aannemen. Het is niet altijd een wisselstroom van 50 Hz zonder vervorming. Het type diff. moet gekozen worden in functie van het soort foutstroom dat mag verwacht worden. Immers, niet elk type diff. werkt correct bij elk soort foutstroom. Bij het laden van een elektrisch voertuig (EV) via een Mode 3 laadpunt, wordt de wisselstroom van het net in het EV omgezet naar gelijkstroom. Wanneer er achter de gelijkrichter een isolatiefout optreedt, kan de foutstroom een gelijkstroomcomponent bevatten. Daarmee moet rekening gehouden worden bij de keuze van het type diff.9 In zo’n geval is een diff. type A (§ 6.1) alleen niet voldoende. Volgens de norm is hij immers niet gemaakt voor foutstromen die meer dan 6 mA DC bevatten. Bovendien kan zo’n foutstroom een diff. type A blind maken, dit wil zeggen dat hij ook niet meer zal reageren wanneer in een andere kring een foutstroom ontstaat waarop hij normaal wel zou reageren. Goede oplossingen zijn een diff. type B (§ 6.2) of een diff. type A in combinatie met een toestel dat afschakelt bij een foutstroom van 6 mA DC (§ 6.3).

6.1 Diff. type A

Volgens de norm moet een diff. type A bij volgende foutstromen correct werken:
− een zuivere wisselstroom
− een gelijkstroom met pulsen (die tot 0 gaan)
− de combinatie van een gelijkstroom met pulsen en een zuivere DC-component van maximum 6mA.

 Figuur 6

Daaruit volgt dat een diff. type A niet mag gebruikt worden in installaties waar de foutstroom meer dan 6 mA DC kan bevatten, want de norm garandeert niet dat hij dan nog correct zal werken.

6.2 Diff. type B

Behalve op een zuivere wisselstroom en een gelijkstroom met pulsen, moet een diff. type B ook reageren op volgende foutstromen:
− wisselstroom met harmonischen, bij een toestel aangesloten tussen een fase en de nulgeleider
− wisselstroom tot 1000 Hz
− wisselstroom in combinatie met een zuivere DC stroom tot 0,4 x de nominale afschakelstroom IΔn
− gelijkstroom met pulsen in combinatie met een zuivere DC stroom tot 0,4 x IΔn of 10 mA indien dat meer is
− gelijkstroom afkomstig van een gelijkrichter
− aangesloten op twee fasen
− aangesloten op drie fasen (en eventueel de nulgeleider)
− zuivere gelijkstroom

Opmerking: differentieelschakelaars type B zijn bedoeld voor kringen op wisselstroom, waarvan de foutstroom een gelijkstroom kan zijn. Ze zijn niet bedoeld voor kringen die zelf op gelijkstroom werken.

6.3 Toestel dat afschakelt bij een foutstroom van 6 mA DC

Er zijn toestellen op de markt, die gemaakt zijn om af te schakelen bij een foutstroom van 6 mA DC. Ze bestaan als afzonderlijk toestel of geïntegreerd in een diff. type A. In Europa moet er uiteraard de CE-markering op staan. Opgelet, zo’n toestel is maar bruikbaar wanneer er in normale omstandigheden geen stroom van 6 mA DC naar de aarde kan weglekken, ook niet bv. bij het opstarten. Omwille van het recente karakter van de norm, hebben deze toestellen spijtig genoeg nog geen naam gekregen . In dit artikel noemen we ze voorlopig Diff-6mA-DC.

Het originele artikel vindt u hier als pdf terug.